Auteur Topic: drentse almanak  (gelezen 284 keer)

Offline michelm6

  • Forumlid
  • **
  • Berichten: 895
  • 1
  • veenzoeker
drentse almanak
« Gepost op: maart 20, 2014, 22:25:26 pm »
Hierbij een kopie van mijn artikel van de Alsemgem in de Drentse Almanak

Langs Assen en Kiev naar Keulen?

Overpeinzingen bij een bijzondere Alsengem uit Drentse bodem
V.T. van Vilsteren

Detectoramateurs zijn altijd zeer verheugd als ze een mooie piep uit hun apparaat horen. De adrenaline spuit door het lijf en visoenen van grote goudschatten verdwijnen even snel als dat ze verschijnen als het toch weer eens niets blijkt te zijn. Maar hoop doet leven en eens zal toch wel de grote klapper komen. Toch kunnen detectorzoekers ook wel eens zonder piep in hun koptelefoon een klapper maken. Een voorbeeld daarvan is de vondst die Teun Bos uit Assen op 17 november 2013 deed. Hij was met zijn zoekmaat Lutie de Jong aan het zoeken met zijn detector vlak ten noorden van zijn woonplaats en zag op zeker moment een glinsterend blauw steentje liggen. Het was geen metaal en gaf dus geen piep. Teun pakte het toch op, maar dacht niet direct dat het wat interessants was. Pas thuis bleek na wat zoeken op internet dat deze oogvondst misschien toch wel iets bijzonders was. Vervolgens werd contact gezocht met de provinciaal archeoloog Wijnand van der Sanden. Deze herkende het direct als een Alsengem. Het kleinood werd enige tijd later ook aangemeld bij Detector Magazine voor een nominatie als vondst van het jaar. Nadat de stemmen geteld waren, bleken er voldoende stemmen te zijn om dit kleine steentje uit te roepen tot vondst van het jaar 2013. 
Wat er zo bijzonder aan is en wat de betekenis van deze vondst is, zal in het onderstaande worden toegelicht.
 
Beschrijving [kopje 1ste niveau]
In de strikte zin van het woord is een Alsengem geen gem. De Dikke Van Dale erkent alleen gesneden edelstenen en halfedelstenen als gem. De Alsengem van Teun Bos (fig.1) is wel gesneden, maar het is geen halfedelsteen: de gem is gemaakt van glas. Zoals te doen gebruikelijk is ze ovaal van vorm en bestaat uit twee lagen. Op een iets dikkere, bijna zwarte onderlaag van glas is een dunner hemelsblauw bovenlaagje vastgesmolten. De gem heeft ongeveer de afmeting van een flinke duimnagel. De grootste lengte bedraagt 21 mm, de breedte 14/15 mm. De dikte is niet meer dan 3-4 mm. In het blauwe gedeelte is een voorstelling gesneden van een staande figuur naar links, met een stok(?) in de rechterhand. Of het inderdaad een stok is en geen staf is niet helemaal duidelijk. Het lijkt alsof het voorwerp niet tot de grond reikt, hetgeen eerder voor een stok zou pleiten. Ook het feit dat het ongeveer in het midden wordt vastgehouden, wijst in dezelfde richting. Bij een staf zou men verwachten dat deze eerder op eenderde van de totale hoogte wordt vastgehouden. Maar of deze rationele overwegingen hout snijden bij het moeizame graveren van een figuur in een dergelijk klein glazen steentje is maar de vraag. Misschien was het toch de bedoeling van de graveur om het figuurtje met een staf af te beelden.
De plek waar Teun Bosch de vondst van het jaar deed, ligt aan de noordkant van de gemeente Assen, aan de rand van een voormalige es, daar waar deze overging in de heide. Zoals gezegd was het geen detectorvondst, maar zag de vinder het kleinood dankzij zijn heldere blauwe kleur aan het oppervlak liggen.

Alsengemmen [kopje 1ste niveau]
Alsengemmen danken hun naam aan de gem die in 1871 werd gevonden in Sønderborg op het Deense eilandje Als, voor de oostkust van Zuid-Jutland. Wat betreft de verspreiding is de aanduiding Alsengem niet slecht gekozen. Het eilandje Als ligt vrijwel midden in het verspreidingsgebied van de gemmen. Het had echter ook anders kunnen lopen, tenminste als in 1846 meer aandacht was besteed aan de vondst van een dergelijke gem bij de afgraving van de terp Birdaard. Dan had deze groep gemmen in de literatuur maar zo bekendheid gekregen kunnen hebben als Birdaardgemmen. Elzinga beschreef de vondst van 1846 in 1971 en constateerde met enige spijt dat de Denen hun primeur beter uitgebuit hebben dan de Friezen. 
In 1955 was Gandert de eerste die zich echt intensief met dit onderwerp bezig hield. Zijn inventarisatie leverde toen een aantal van 84 stuks op. Daarvan is slechts een minderheid (45%) als bodemvondst tevoorschijn gekomen. De meeste zijn te vinden als versiering op religieuze kerkschatten zoals kruisen, boekomslagen, reliekschrijnen etc. Een fraai voorbeeld daarvan uit Nederland zien we bij de boekbanden van de evangelistaria van bisschop Ansfried en bisschop Bernold in de collectie van Museum Catharijneconvent in Utrecht (fig. 2).  Deze boekbanden, daterend van omstreeks 1200, waren elk voorzien van vier Alsengemmen. Bij die van Bernold ontbreekt er één.
Alsengemmen worden op basis van de ingegraveerde voorstelling verdeeld in vier typen (Schulze-Dörrlamm 1990) (fig.3). Type 1 zijn de gemmen waarop slechts één figuur is afgebeeld. In de meeste gevallen is die figuur een persoon. Ook de gem van Teun Bosch valt dus onder dit type. Onder type 2 worden de gemmen samengevat die voorzien zijn van twee ingekraste figuren. Ook komen er gemmen voor met drie en een enkele keer zelfs vier ingekraste mensenfiguren. Deze worden onder type 3 geschaard.
Na Schulze-Dörrlamm heeft recentelijk Gagetti nog een uitgebreid overzicht gegeven naar aanleiding van de Alsengemmen op het beroemde crucifix van Brescia en op nog een ander crucifix in de dom aldaar. In haar overzicht komt Gagetti (2010, 85-93) tot een totaal van 135 Alsengemmen. Daarbij rekent zij niet alleen de Alsengemmen met daarop menselijke figuren mee, maar ook enkele gemmen zonder gravering en gemmen met dier- of bloemmotieven. Indien we deze niet-menselijke afbeeldingen niet meerekenen (er worden er dan 16 niet meegeteld), kunnen we een vergelijking maken met de andere inventarisaties. Daarbij kunnen we vaststellen dat sinds de inventarisatie van Gandert in 1955 vooral het aantal bekende Alsengemmen uit de bodem flink is toegenomen. Waren eerst de gemmen in liturgische objecten in de meerderheid, inmiddels zijn van beide soorten ongeveer evenveel exemplaren bekend: 132 waarvan 63 als bodemvondst en 69 uit kerkschatten (Tabel 1). 
Alsengemmen zijn in Nederland geen zeldzaamheid, maar zijn ook weer niet dik gezaaid (zie hierna). Wel bijzonder is dat de gem van Assen slechts één ingegraveerde figuur heeft. Daarvan is in heel Europa tot nu slechts één andere bodemvondst bekend en wel uit Bielgorodka, ten westen van Kiev (Oekraïne).

Andere vondsten van Alsengemmen [kopje 1ste niveau]
Binnen Nederland zijn de Alsengemmen beperkt tot het noorden (fig. 4). Uit de provincie Drenthe kennen we vondsten uit Lieveren (Gandert 1954; idem 1958), Peelo (Van Es 1967) en Vries (Van Vilsteren 1994). Die van Peelo heeft twee figuren, op die uit Vries staan drie figuren gegraveerd.  Het exemplaar uit Lieveren is met zijn vier figuren uitzonderlijk. Omdat oudere publicaties slechts de mogelijkheid van zwart-wit afbeeldingen kenden, beelden we de eerdere vondsten uit Drenthe hier nogmaals af, maar dan in kleur (fig. 5).
Uit de provincie Groningen zijn vier exemplaren bekend (Knol 2012): drie van de gemmen hebben ieder drie ingekraste figuren (Paddepoel, Lutje Saaksum en omgeving Warffum), de vierde (uit Westerwijtwerd) is van het type 2 met twee ingekraste figuren.
De provincie Friesland heeft de meeste vondsten opgeleverd, te weten 18 stuks (Kramer 2010) (fig. 6). De meerderheid daarvan bestaat uit gemmen met drie figuren (Beetgum, Hallum, Franeker, Idaard, Sneek, Holwerd, Spannum, Achlum, Birdaard, Hitsum, Jorwerd, Sijbrandahuis en Blije). Vier exemplaren hebben twee ingegraveerde figuren (Britsum, Dokkum, omgeving Nijkerk en Hemelum). Eén van de Friese gemmen is uniek: deze in de omgeving van Oudemirdum gevonden steen toont een kruis met een levensboom. Daarvan zijn ook in het buitenland geen andere voorbeelden bekend.
Buiten de drie noordelijke provinciën is alleen nog een vondst van een driefigurige gem gemeld van Texel (van Regteren Altena en Van den Berg-Hamburger 1967) en een driefigurige gevonden in Enschede  (Gandert 1955, 206). Dit brengt het totaal voor Nederland op 28 stuks.
De concentratie in Noord-Nederland is opmerkelijk, maar het verspreidingsbeeld sluit goed aan bij het patroon zoals dat uit de ons omringende landen naar voren komt (Schulze-Dörrlamm 1990, Abb. 1-3) (fig. 7). Afgezien van enkele vondsten landinwaarts in Noordwest-Duitsland, concentreren de archeologisch gevonden gemmen zich langs de kust van Noord-Duitsland (18 stuks), in Denemarken (13 stuks) en in Zuid-Zweden (9 stuks).  Een enkele Alsengem is nog gemeld uit Noorwegen, Oekraïne, Wit-Rusland en Rusland. De gemmen zijn op één uitzondering na allemaal van het type 2 of 3. Opmerkelijk is, dat er geen vondsten bekend zijn uit Groot-Brittannië. 
Zoals gezegd is de enige archeologische parallel voor de eenfigurige gem uit Assen gevonden in Bielgorodka, ten westen van Kiev. Gandert (1955, 193) voert echter argumenten aan dat deze archeologische vondst uit Oekraïne wel eens afkomstig kan zijn van een liturgisch voorwerp dat bij de verwoesting van de kerk in 997 na Chr. in de bodem kan zijn beland. Hij vermoedt bovendien dat het voorwerp in Hildesheim is geproduceerd.
De vier Alsengemmen uit Drenthe zijn alle afkomstig uit het noordelijke deel van de provincie. Het zijn bovendien allemaal losse vondsten, niet in context met andere archeologische objecten. Gezien de verspreiding van de als bodemvondst aangetroffen Alsengemmen is deze vondstcategorie toch te typeren als een Noord-Europees verschijnsel. De band van Friesland met dit noordelijke verspreidingsgebied hoeft niet te verbazen. Contacten tussen beide gebieden bestonden op uitgebreide schaal. Dat ook (Noord-)Drenthe meedoet in dit verspreidingsgebied is iets minder voor de hand liggend. We moeten dan ook rekening houden met de mogelijkheid dat de Drentse Alsengemmen niet oorspronkelijk in Drenthe gebruikt c.q. gedragen zijn. We weten uit eerder onderzoek dat in de 19de en begin 20ste eeuw op grote schaal terpen zijn afgegraven en dat de terpaarde als vruchtbare mest naar minder vruchtbare streken is vervoerd. Daarbij zijn ook tal van archeologische vondsten uit het terpengebied terechtgekomen op akkers waar ze niet oorspronkelijk thuishoren. Van de streek rond het Leekstermeer en van sommige gebieden ten oosten van de Hunze is dit met name bekend. Bij sommige keramieksoorten is bijvoorbeeld aan de magering te herkennen dat het terpaardewerk is. Soms ook wordt uit de combinatie van ouder aardewerk en middeleeuwse kogelpotmateriaal duidelijk dat er iets aan de hand is.  Bij de Alsengemmen gaat het om losse vondsten zonder verder bijvondsten. Het is daarom niet helemaal uit te sluiten dat de Alsengemmen met terpaarde uit Friesland zijn aangevoerd.   

De datering [kopje 1ste niveau]
Schulze-Dörrlamm heeft in haar artikel uit 1990 de verschillende typen ook van een datering voorzien (fig. 3). Type 1 met slechts één figuur is in haar visie het oudst. De datering loopt van het begin van de 11de tot de vroege 13de eeuw. Afgezien van de twee bodemvondsten uit Assen en Bielgorodka zijn de meeste exemplaren van dit type gebruikt als versiering op liturgische voorwerpen. Zo komen ze voor op kruisen, boekomslagen, reliekschrijnen etc. Opvallend daarbij is dat de verspreiding nogal afwijkt van het beeld zoals dat bij de Alsengemmen uit archeologische context naar voren komt (fig. 7). Tussen Maas en Elbe zijn in een aantal kerkschatten voorbeelden van type 1 aanwijsbaar, maar ze komen ook voor op liturgische voorwerpen in Zuid-Duitsland, Italië en Spanje. Dit doet Schulze-Dörrlamm (1990, 221) vermoeden dat het productiecentrum van deze vroege Alsengemmen wellicht in het Middellandse-Zeegebied gezocht moet worden.
Type 2 (de tweefigurige gemmen) komt pas voor vanaf ca. 1050, maar loopt door tot zeker 1300. Ook daarvan zijn tussen Maas en Elbe in diverse kerkschatten voorbeelden te vinden. Het verschil met type 1 is dat van type 2 ook enkele tientallen Alsengemmen uit archeologische context bekend zijn.
Het beeld van type 3 is heel anders. Slechts enkele gemmen zijn verwerkt in liturgische voorwerpen. Bijna 80% van de tot nu toe bekende gemmen met drie of vier figuurtjes is als bodemvondst gemeld. De datering ligt t tussen het eind van de 12de en het midden van de 14de eeuw .
De chronologische indeling van Schulze-Dörrlamm wordt ook door Gagetti (2010, 75-76) overgenomen. Zwak punt daarbij is dat deze vrijwel uitsluitend gebaseerd is op datering van de liturgische objecten met Alsengemmen. Die (doorgaans kunsthistorische) dateringen moeten we echter als terminus ante quem zien. De Alsengemmen hoeven niet uit dezelfde tijd te dateren. Hoe moeilijk deze materie is, blijkt wel uit het beroemde kruis van Desiderius in de kathedraal van Brescia. Dit middeleeuwse kruis bevat zelfs Romeinse gemmen. Waarom zouden de Alsengemmen dan ook niet een stuk ouder kunnen zijn? Schulze-Dörrlamm (1990, 222) interpreteert de Alsengemmen in het kruis van Brescia als waarschijnlijk van een restauratie uit de 12de/13de eeuw. De befaamde gemmendeskundige Zwierlein-Diehl ziet de twee Alsengemmen op dit kruis op basis van hun vatting als behorend tot de oorspronkelijke uitrusting uit de tweede helft van de 9de eeuw (Zwierlein-Diehl, 2007, 288).
Goede dateringen van archeologisch gevonden Alsengemmen zijn er maar weinig. Van de 28 in Nederland gevonden Alsengemmen bijvoorbeeld komt geen enkele uit een goed gedateerde context. Bij de 13 Deense vondsten (op één na allemaal met drie figuurtjes) is er slechts één door de vondstcontext goed gedateerd. Het is een tweefigurige gem, die in Ribe in een laag uit de eerste helft van de 12de eeuw is gevonden.  Van de 18 Duitse vondsten heeft alleen de drie-figurige gem in de schatvondst van Bokel een betrouwbare datering, nl. in het eerste kwart van de 13de eeuw (Rudolph 2006). Meer houvast hebben we aan de Zweedse Alsengemmen (Roslund 2009, 230). Van de 9 in Zweden gevonden gemmen komen er 6 (alle met twee figuurtjes) uit een goed gedateerde context. De twee in Sigtuna gevonden exemplaren dateren van rond 1100, die uit Skogaby uit de 11de/12de eeuw, die uit Lund is in de tweede helft van de 12de eeuw te plaatsen, die uit Bunkeflo (Malmö) in de eerste helft van de 13de eeuw en die uit Kalmar in de 13de eeuw. Samenvattend betekent dit dat de meeste ‘archeologische’ gemmen zijn gevonden in een 12de- of 13de-eeuwse context. Eigenlijk zijn er geen vondsten die met zekerheid al in de 11de eeuw gedateerd kunnen worden. Evenmin zijn er archeologische aanwijzingen dat de Alsengemmen nog tot in de 14de eeuw doorlopen. Anderzijds blijkt ook dat Alsengemmen nooit in graven worden aangetroffen. Misschien mogen we hier uit afleiden dat de gemmen langere tijd konden rouleren en dus van generatie op generatie konden overgaan. Het is daarom niet uitgesloten dat we ook dateringen van Alsengemmen uit goed gedateerde archeologische opgravingen als terminus ante quem moeten zien. De Alsengemmen zouden dus toch nog wel eens ouder kunnen zijn dat tot dusverre gedacht. Dat ze nog tot in de 14de eeuw doorlopen, lijkt minder waarschijnlijk.

Pelgrimsinsigne? [kopje 1ste niveau]
Over de functie van Alsengemmen en hun betekenis is al veel geschreven. Ze zijn lange tijd aangezien voor heidense amuletten uit de 8ste en 9de eeuw. In hun eenvoud lijken de voorstellingen op de gemmen in wezen navolgingen van afbeeldingen op Byzantijnse medaillons. Gandert (1958, 77) geeft voorbeelden uit de Vroege Middeleeuwen, waar heel fraai de aanbidding door de drie koningen is weergegeven. In zijn visie zijn de Alsengemmen daar direct op geïnspireerd. Met name de gemmen met drie figuren kunnen zijns inziens heel duidelijk worden gezien als afbeeldingen van de drie koningen. Ze moeten volgens Gandert dan ook gezien worden als pelgrimsinsignes (ibidem, 78). De pelgrims zouden de gemmen meegenomen hebben als bewijs van hun bedevaart naar de relieken van de drie koningen. In de Vroege en Volle Middeleeuwen was de verering van de drie koningen gericht op Rome, Ravenna en later ook Milaan, waar hun relieken werden bewaard. Op deze wijze zouden de Alsengemmen hun weg naar diverse delen van Europa hebben gevonden. In haar studie heeft Schulze-Dörrlamm (1990) gepoogd meer duidelijkheid te verschaffen over de verschillende typen en hun onderlinge relaties. Type 1 en 2 waren in haar visie primair bedoeld ter opsmuk en verfraaiing van liturgische voorwerpen. Met name voor de drie- en vier-figurige gemmen van type 3 ziet zij heel duidelijk een verband met de cultus van de verering van de drie koningen (Schulze-Dörrlamm 1990, 219). Deze kreeg nieuwe impulsen toen in 1164 hun relieken van Milaan naar Keulen werden overgebracht. De pelgrimage naar deze nieuwe locatie werd zeer populair. Dat pelgrims een aandenken meenamen aan de vaak moeizame tocht is een fenomeen dat we goed kennen uit de latere Middeleeuwen. Uit de 14de en 15de eeuw zijn duizenden pelgrimstekens van lood-tin-legering teruggevonden. In die tijd rezen overal bedevaartsoorden als paddenstoelen uit de grond. Iedere zichzelf respecterende kerk wilde een graantje meepikken van deze lucratieve bezigheid, want pelgrims betekenden handel en omzet. Ook van de drie koningen uit Keulen zijn in allerlei landen van Europa zo’n 150 metalen pelgrimstekens teruggevonden.  De meeste daarvan dateren uit de 14de en 15de eeuw. Dat de pelgrims in de 12de en 13de een aandenken meegenomen kunnen hebben in de vorm van een Alsengem is in principe heel wel mogelijk. De pelgrimage had toen nog niet zo’n hoge vlucht genomen. Het is best voorstelbaar dat de productie van Alsengemmen in die tijd de toestroom van pelgrims nog kon bijhouden. Toen later in de Middeleeuwen enorme aantallen pelgrims hun weg naar de diverse bedevaartsoorden zochten, zou dan moeten worden omgezien naar andersoortige vormen van souvenirs, die sneller en goedkoper geproduceerd konden worden. Dat was nodig, want op één dag konden zo maar vijfhonderd of meer insignes over de toonbank gaan. Met de lood-tinnen pelgrimstekens kon in die behoefte worden voorzien.

Amulet? [kopje 1ste niveau]
Met hun afgeschuinde kanten waren de Alsengemmen natuurlijk zeer geschikt om in een zilveren vatting op een boekband of een crucifix te monteren. Toch lijkt het niet goed voorstelbaar dat het de bedoeling is geweest om alle gemmen in liturgische voorwerpen te monteren. Mijns inziens moeten we toepassing op liturgische objecten eerder zien als een secundair gebruik. Dat ook alle archeologisch gevonden gemmen een afgeschuinde kant hebben doet eerder vermoeden dat de Alsengemmen van meet af aan bedoeld waren om ergens anders in gemonteerd te worden. Het ligt eigenlijk veel meer voor de hand om dan aan een metalen ring te denken. Daarmee zouden de Alsengemmen heel goed aansluiten bij de ringstenen uit de Romeinse tijd. Deze hebben ongeveer dezelfde ovale vorm en ook de typische afgeschuinde kant die montage in een ring zo gemakkelijk maakt. Dergelijke ringstenen waren niet echt kostbaar en worden in grote getale gevonden binnen de grenzen van het Romeinse Rijk, maar ook daarbuiten. Vaak worden ze los gevonden, maar ook zijn vondsten bekend waarbij ze wel nog in een ring gemonteerd zijn. Dergelijke ringen waren in de 3de eeuw meest van brons en soms van zilver. In later tijd werden dergelijke ringen ook in goud uitgevoerd. Zelfs in Drenthe is zo’n Romeinse gouden ring uit de 4de eeuw gevonden in Westdorp bij Borger  (fig. 8). Soms waren dit soort Romeinse ringstenen onversierd, maar vaak waren er figuurtjes in gegraveerd. Ze worden veelal niet als echte sieraden gezien, maar zouden in de Romeinse tijd vooral als amulet hebben gefungeerd (Zadoks-Josephus Jitta 1960, 233).
Wellicht is een dergelijke interpretatie als amulet ook voorstelbaar bij de Romeinse gem die in 1993 werd gevonden bij een opgraving in de binnenstad van Zutphen (Groothedde 1994). Op de gem is aan de voorzijde zeer verfijnd een afbeelding van de Romeinse halfgod Hercules gesneden (fig. 9). De vondst dateert uit het eind van de 1ste na Chr., maar werd gevonden in een greppelachtige kuil uit de 10de of 11de eeuw.  Het is goed te zien dat de gem aan de rand beschadigd is, waarschijnlijk toen deze met enig geweld uit de ring werd verwijderd. Of dat al in de Romeinse tijd gebeurd is, valt niet met zekerheid te zeggen. Mogelijk is dat pas in de Middeleeuwen gedaan. Het is goed voorstelbaar dat in die tijd een Romeinse gouden ring gevonden is op een van de vele Romeinse vindplaatsen waar bouwmateriaal voor de Middeleeuwse palts van Zutphen werd gewonnen. De vraag of de gem uit de ring werd verwijderd vanwege het goud en daarna werd weggegooid of dat deze daarna nog verder als amulet werd gebruikt, moet onbeantwoord blijven.  Wel maakt deze gem duidelijk dat de techniek van vervaardiging nog precies dezelfde is gebleven. Ook hier is net als later bij de Alsengemmen sprake van een zwarte grondmassa waarop een druppel blauw glas werd vastgesmolten.
Er zijn meer aanwijzingen dat ook wat de Alsengemmen betreft een functie als amulet niet onwaarschijnlijk is. In Lübeck is in 1977 een fraaie gouden mantelspeld gevonden waarin een Alsengem was gemonteerd (fig. 10). Het sieraad werd als grafgift aangetroffen in een geplunderd Slavisch vorstengraf in de kerk van oud-Lübeck. Het graf moet omstreeks 1100 zijn aangelegd (Zazoff 1980). Bij de mantelspeld zijn aan de achterzijde het haakje en de aanhechting van de speld nog aanwezig. De speld zelf is niet meer bewaard gebleven. De gouden mantelspeld zou een mooie mengeling kunnen zijn van de oude ‘heidense’ traditie om iemand grafgiften mee te geven en het toen nieuwe christelijke geloof. Als de Alsengem wordt gezien als een insigne uit Keulen kan de eigenaar van de fibula de bescherming van een (christelijke) heilige hebben willen vragen (Rudolph 2006). In de ware zin des woords zou het dan een amulet zijn dat bescherming moest bieden tegen gevaar, ziekte en ongeluk, een bescherming die zelfs tot in het graf moest doorwerken. Alleen was het in dat geval dan geen geneesmiddel zoals in de oorspronkelijke betekenis van het woord amulet (‘om de hals gedragen geneesmiddel’), maar een heilige die bescherming moest bieden.
Een ander fraai voorbeeld is de drie-figurige Alsengem in de beroemde schatvondst van Bokel (bij Bremervörde). Deze gem is als een medaillon gevat in een verguld zilveren montuur dat met een zilveren dekseltje kon worden afgesloten (fig. 11). Afgezien van 14.000 munten bestond deze vondst, die tussen 1200 en 1225 moet zijn begraven, uit talrijke zilveren en gouden sieraden.  De sieraden waren niet liturgisch van aard. Het medaillon had geen speld aan de achterzijde en moet als een soort amulet gedragen zijn, wellicht in een lederen beursje.
Ook dichter bij huis is een vergelijkbare vondst tevoorschijn gekomen. In 2009 werd in Blije in het noorden van Friesland een Alsengem gevonden met twee ingegraveerde figuren (fig. 12). De gem was gevat in een gouden montuur en was kennelijk bedoeld als speld. 
Een laatste voorbeeld is een gouden ring die in 2010 is gevonden bij de opgraving aan het Hoge der A in Groningen (Veenman 2011, 18). Toen de ring werd gevonden, stak er door het oog nog een gouden kruisje, dat vrij nauwkeurig in de periode 1200-1225 gedateerd kan worden. De ring zelf  heeft een steentje van git waarop een afbeelding van de aartsengel Michael staat gegraveerd, die satan in de vorm van een draak met zijn speer doorboort (fig. 13). Op de gouden rand van de ring is een tekst leesbaar, die evenwel niet goed te begrijpen is. Van de steen wordt aangenomen dat hij uit de laat-Romeinse tijd stamt en mogelijk in Byzantium is vervaardigd. Hergebruik van dergelijke gemmen in de Middeleeuwen is, zoals we hebben gezien, niet uniek. Het randschrift is een oproep tot bescherming van de bezitter door de aartsengel Michaël. Ook deze ring kunnen we dus als amulet betitelen.
De meeste gemmen zijn gevonden zonder hun oorspronkelijke vatting. Maar zelfs dan is soms nog te zien dat een gem gemonteerd is geweest. Bij Neuss in het Rijnland is een Alsengem gevonden die aan de rand tal van beschadigingen heeft, die alleen verklaarbaar zijn als we aannemen dat ze ontstaan zijn bij het uitbreken met een mes uit een vatting (Kaiser 1993). Ook een twee-figurige Alsengem uit Bremen heeft dezelfde beschadigingen rondom (Humburg en Schween 2000, 361). Het is in wezen hetzelfde verschijnsel als we al gezien hebben bij de Romeinse gem uit Zutphen. Heel interessant in dit verband is een vondst uit het Deense Borren die Baastrup (2007, 161) vermeldt. In die plaats is bij de opgraving van de middeleeuwse kasteelheuvel een Alsengem gevonden. Vlak daarbij is bij dezelfde opgraving een koperen vatting gevonden, waarvan de grootte doet vermoeden dat daar wel eens een Alsengem in gemonteerd kan zijn geweest (fig. 14). Als dat inderdaad zo zou zijn, kunnen we hierin een voorbeeld vermoeden van een minder luxueus uitgevoerde vatting, een type dat nogal vatbaar is voor corrosie. Daardoor is de kans op het terugvinden bij een opgraving niet heel groot. Wellicht kwamen ze veel vaker voor dan op grond van het teruggevonden aantal verwacht zou mogen worden.
In ieder geval maken boven beschreven voorbeelden duidelijk dat de Alsengemmen toch iets meer waren dan louter pelgrimsinsignes. Ook al zijn er van de gemmen maar weinig bewaard gebleven die nog in een of andere vatting of ring zaten, de vorm met zijn specifieke afgeschuinde kant is een aanwijzing dat ze van meet af aan bedoeld zijn geweest om ergens in gemonteerd te worden. Een ring of broche ligt daarbij het meest voor de hand. Ook de latere insignes van lood-tinlegering werden duidelijk zichtbaar gedragen, meestal opgenaaid op kleding. Bij sommige van deze insignes van lood-tin en zeker bij veel van de zogeheten profane insignes zat aan de achterzijde een speld, zodat ze gemakkelijk op kleding bevestigd konden worden.

Vragen [kopje 1ste niveau]
Vooralsnog lijkt het aannemelijk dat de meeste Alsengemmen ergens in gemonteerd waren, bijvoorbeeld in een ring of een draagspeld. Zo kon de bezitter van de gem deze bij zich dragen als amulet en op die manier bescherming vragen tegen allerlei onheil. De vraag of de Alsengemmen ook gemonteerd in een ring of speld werden verkocht, laat zich moeilijk beantwoorden. Het is evengoed mogelijk dat de Alsengemmen pas later in een zelf gekozen ring of speld werden gezet.
Een belangrijke vraag is ook of de Alsengemmen wel gezien kunnen worden als pelgrimsinsignes. Gandert (1958) en Schulze-Dörrlamm (1990) hebben tal van argumenten gegeven die deze hypothese zouden kunnen onderbouwen, zeker waar het gaat om de Alsengemmen met drie en vier figuren. Die argumenten zijn stuk voor stuk waardevol. Toch laat de interpretatie als pelgrimsinsigne een aantal vragen onbeantwoord. Heel belangrijk is de vraag die ook Gagetti (2010, 76) stelt over de relatie tussen het verspreidingsbeeld van de archeologische Alsengemmen enerzijds en de liturgische Alsengemmen anderzijds (fig. 7). De eerste groep is zeer sterk vertegenwoordigd in Noord-Nederland, Noord-Duitsland, Denemarken en Zuid-Zweden, gebieden waar ze niet in kerkschatten te vinden zijn. Bij Alsengemmen op liturgische voorwerpen is een grote concentratie te vinden tussen met name Maas en Elbe. Waarom komen de gemmen van type 1 vrijwel alleen voor op liturgische objecten en vinden we ze nauwelijks als bodemvondst? Waarom is dit patroon bij de Alsengemmen van type 3 precies omgekeerd? Als het verspreidingspatroon van gemmen op liturgische voorwerpen enige zeggingskracht heeft, zou een herkomst uit Keulen helemaal niet onmogelijk zijn. Maar mogen we hier überhaupt wel iets uit afleiden? Hoe zijn die Alsengemmen daarop terechtgekomen? En hoe zeker weten we dat de liturgische voorwerpen ook daadwerkelijk daar vervaardigd zijn waar ze later in de kerkschatten zijn bewaard? Mijns inziens zegt de verspreiding van archeologische Alsengemmen veel meer over hun oorspronkelijke gebruik dan die van de liturgische Alsengemmen. De laatste groep kan vaak heel wel secundair gebruikt zijn geweest. 
De grootste dichtheid in de verspreiding van de archeologische Alsengemmen suggereert dat de vervaardiging niet in Keulen, maar mogelijk in Friesland of Noord-Duitsland heeft plaatsgevonden. Daar zijn immers de meeste Alsengemmen gevonden.  Die productie hoeft zeker niet te hebben plaatsgevonden in een stad. Het is heel wel denkbaar dat dit in een nederzetting op een terp gebeurde.
Ook lijkt de hypothese van pelgrimsinsignes te conflicteren met de elkaar uitsluitende verspreidingspatronen van de Alsengemmen enerzijds en de lood-tin insignes van de drie koningen uit Keulen anderzijds. Indien we ons beperken tot Nederland, blijken de Alsengemmen alleen voor te komen in de provincies Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel plus nog één exemplaar op Texel. Hoe anders is het verspreidingsbeeld van de pelgrimsinsignes van lood-tin? Deze insignes, die pelgrims meebrachten van hun bedevaart naar de dom in Keulen , zijn op veel plekken in Nederland teruggevonden, maar juist niet in de noordelijke provincies (fig.15). De meest noordelijke van de 52 lood-tin insignes is Hoorn. Het is toch moeilijk voorstelbaar dat pelgrims uit Friesland, Groningen en Drenthe van hun bedevaart naar Keulen alleen maar Alsengemmen meenamen als aandenken, terwijl pelgrims uit de rest van Nederland een strikte voorkeur hadden voor lood-tin insignes? Bovendien is er nog een verschil in datering. De lood-tinnen insignes beginnen pas aan het eind van de 13de eeuw, de meeste worden evenwel in de 14de en 15de eeuw gedateerd. De Alsengemmen daarentegen worden, als we ons beperken tot type 3, gedateerd tussen het eind van de 12de eeuw en het midden van de 14de eeuw. Het is toch ook nauwelijks voorstelbaar dat Keulen als bedevaartsoord eerst bij de noorderlingen populair was (die dan vaak Alsengemmen mee terug naar Friesland namen) en dat toen deze daar uit de mode raakten, opeens pelgrims uit de rest van Nederland massaal richting Keulen trokken. Tegelijkertijd zou dan noordelijk Nederland de drie koningen in Keulen de rug toe moeten hebben gekeerd. Een dergelijke ontwikkeling is te onwaarschijnlijk om geloofwaardig te zijn. Mijns inziens is de hypothese dat de Alsengemmen met drie of vier figuren als pelgrimsinsigne zijn meegenomen uit Keulen niet houdbaar. Als dat wel zo was geweest had de verspreiding van de archeologische Alsengemmen een patroon moeten laten zien waarin Keulen min of meer centraal ligt. Bij laatmiddeleeuwse bedevaartsoorden manifesteert de verspreiding van insignes zich idealiter als een puntenwolk rondom de bedevaartsplaats zelf, waarbij het aantal vondsten in alle windrichtingen afneemtt. Bij de archeologische Alsengemmen is nadrukkelijk geen sprake van een puntenwolk rondom Keulen. Er is slechts één archeologische vondst gemeld uit het Rijnland (Kaiser 1993), alle andere Alsengemmen zijn ver ten noorden van Keulen gevonden.

Iconografie [kopje 1ste niveau]
Henig en MacGregor (1996, 91) hebben in hun artikel bezwaren geuit tegen de late datering van de Alsengemmen door Schulze-Dörrlammdie, zoals gezegd, vooral is gebaseerd op de datering van de liturgische voorwerpen. Zij hadden dan een veel groter Europees verspreidingsgebied verwacht. Bovendien wijzen zij op de iconografie die huns inziens veel meer aansluit bij die van de Vikingwereld. Met name dit laatste is een wezenlijk punt. De interpretatie van Alsengemmen als pelgrimsinsignes is voor een belangrijk deel gekoppeld aan de duiding dat de ingegraveerde figuren de drie koningen moeten voorstellen. Indien er zoveel vragen opdoemen voorvloeiend uit de interpretatie als pelgrimsinsigne, moeten we ons terdege afvragen of die duiding wel juist is. Hoe zeker is het eigenlijk dat de gravering op de Alsengemmen de drie koningen voorstellen? Als de Alsengemmen vervaardigd zouden zijn in Keulen (in de Romeinse tijd al een grote stad) zou te verwachten zijn dat de productie veel verwantschap vertoont met de oude Romeinse techniek van vervaardiging. De primitieve, houterige figuurtjes op de Alsengemmen zijn uit de losse hand met een scherpe stift gegraveerd. Daarbij lijkt men ook niet goed begrepen te hebben waarom het glassteentje eigenlijk uit twee verschillende kleuren glas is opgebouwd. De Romeinen deden dat opdat door het diep genoeg graveren van de blauwe bovenlaag de onderliggende zwarte glaslaag zichtbaar zou worden. De tekening verkreeg dan door de contrastwerking een extra dimensie (zie bijvoorbeeld fig. 9). Bij de Alsengemmen is de figuur met de stift meestal zo ondiep ingekrast dat de zwarte onderlaag helemaal niet bereikt werd. De oude Romeinse gemsnijders maakten bovendien uitgebreid gebruik van boortjes en konden daarmee veel fijnere details in de afbeeldingen weergeven. Alleen al door de manier van graveren is te zien dat de Alsengemmen niet in de traditie van de Romeinen staan.  Het is niet alleen een geheel andere graveertechniek waarmee de Alsengemmen vervaardigd zijn, ook de beeldtaal is volstrekt anders dan bij de Romeinse gemmen. Dat is waarschijnlijk voor een groot deel een gevolg van de graveertechniek. Doordat bij de Alsengemmen de tekeningen met een stift zijn ingekrast, konden de figuurtjes eigenlijk niet anders dan een wat langgerekt, houterig uiterlijk krijgen. Juist daardoor sluiten deze figuren veel meer aan bij de beeldtaal van de Germanen en de Vikingen. Hetzelfde zien we ook bij het schrift. Het runenschrift kent letters die zijn samengesteld uit meestal rechte en hoekige lijnen die gemakkelijk in bijvoorbeeld steen of hout konden worden gekrast. Heel kenmerkend in de beeldtaal van de Alsengemmen zijn de gezichten van de figuurtjes. Ze hebben steeds een puntige kin (waarschijnlijk moet dit een baard voorstellen) en de houding van het hoofd is veelal iets achterover getekend alsof de persoon iets omhoog kijkt. Dit laatste zal nodig zijn geweest om de baard goed te laten uitkomen, die anders bijna zou samenvallen met het bovenlichaam. Ook het houterige lichaam lijkt een direct gevolg van het gebruik van een scherpe ijzeren stift. In zijn algemeenheid sluit de iconografie van de Alsengemmen eigenlijk veel beter aan bij die van de gouden bracteaten uit de 5de en 6de eeuw en van de beeldstenen uit de Vikingtijd.  Wat betreft de bracteaten zijn het vooral de zogeheten B-bracteaten waarop figuren zijn afgebeeld, die doorgaans als personages uit de noordelijke godenwereld worden geïnterpreteerd. Uitgebreide studies van de bracteaten hebben duidelijk gemaakt dat de bevolking in het noorden van Europa Romeinse munten en medaillons als voorbeeld en inspiratie hebben gebruikt. Deze tweezijdige munten en de medaillons werden niet eenvoudig geïmiteerd, maar omgevormd tot een eenzijdig gouden hanger met een heel eigen iconografie (Hauck 2011, 80 e.v.; Wicker 2013). Op die gouden B-bracteaten hebben de noorderlingen hun goden weergegeven met allerlei attributen en soms ook met runeninscripties. Soms is dat één god, maar ook heel vaak groepjes van twee of drie goden. Dat het goden moeten voorstellen is veelal aan de attributen af te lezen. Het is wel duidelijk dat deze bracteaten als amuletten gedragen zijn, waarschijnlijk door vrouwen (Wicker 2013, 116). De afbeeldingen zijn totaal anders dan die op munten en medaillons uit de Romeinse tijd. De stijl op de B-bracteaten is zo typisch dat het eigenlijk verbazing wekt dat er niet eerder een verband is gelegd met de Alsengemmen. Gandert (1955, 164) en in navolging daarvan ook Schulze-Dörrlamm (1991, 219) hebben zich te veel laten leiden door byzantijnse voorbeelden van medaillons waarop de drie koningen zijn afgebeeld. Bij de B-bracteaten zijn net zo goed tal van groepjes van drie figuren te vinden: de zogenoemde Drei-Götter-Brakteaten worden gezien als variaties op godenmedaillons uit de Romeinse keizertijd. Zij hebben verder geen enkele relatie met de drie koningen. Een mooi voorbeeld is de B-bracteaat uit de schatvondst van Gudme in Denemarken (fig. 16). Natuurlijk ligt er een heel groot tijdsverschil tussen de bracteaten uit de 5de en 6de eeuw en de Alsengemmen uit de 12de en 13de eeuw. Maar de typerende noordelijke stijl van de houterig voorgestelde figuren is ook in de tussenliggende tijd te vervolgen. Op tal van beeldstenen uit de Vikingtijd zijn ook dit soort figuren afgebeeld. En ook het bekende godenbeeldje van Rällinge uit de 9de of 10de eeuw (Price 2003, 55) (fig. 17) heeft de kenmerkende kop zoals die ook bij de Alsengemmen valt waar te nemen. Het is mijns inziens goed voorstelbaar dat de typische noordelijke iconografie sinds de 5de en 6de eeuw in min of meer dezelfde vorm is blijven bestaan. Dat hoeft niet perse zijn weerslag te hebben gevonden op objecten die ook archeologisch terug te vinden zijn. Dat kunnen ook andere uitingen geweest zijn, bijvoorbeeld op leer. Er valt op dit gebied van de iconografie nog veel te onderzoeken, maar in ieder geval wijst de verspreiding van de archeologisch gevonden Alsengemmen veel meer naar de noordelijke delen van Europa dan naar de streek rondom Keulen.

Besluit [kopje 1ste niveau]
Samenvattend kunnen we vaststellen dat het aantal bekende Alsengemmen de laatste jaren flink is toegenomen. Waren het er ten tijde van de inventarisatie van Gandert (1955) 84 , vandaag de dag kennen we er in totaal132 . Een deel van deze gemmen is als archeologische bodemvondst tevoorschijn gekomen, voor een ander deel betreft het Alsengemmen die gebruikt zijn op liturgische voorwerpen als boekomslagen, crucifixen en reliekkistjes. Zowel in 1955 als in 2014 zijn daarbij de liturgische Alsengemmen licht in de meerderheid. Het verspreidingsbeeld van beide groepen Alsengemmen loopt sterk uiteen. Binnen Nederland zijn de archeologische Alsengemmen vooral bekend uit de noordelijke provincies. De meeste daarvan stammen uit Friesland (18 stuks). In Drenthe zijn 4 exemplaren gevonden. De overige archeologische vondsten zijn voornamelijk in Noord-Duitsland, Denemarken en Zweden gedaan. De liturgische Alsengemmen zijn vooral bekend uit Midden-Duitsland en het gebied ten zuiden daarvan. Beide verspreidingsgebieden overlappen nauwelijks. Op de Alsengemmen staan doorgaans (een tot vier) figuren afgebeeld. Met name de gemmen met drie figuren werden tot nu toe als de drie koningen geïnterpreteerd. De gemmen zouden dan ook door pelgrims die terugkeerden van hun bedevaart naar Keulen zijn meegenomen. De productie, zo werd gedacht, zou dus ook daar hebben plaats gevonden. De datering (11de tot 14de eeuw) stoelde tot nu toe vooral op kunsthistorische interpretatie van de liturgische gemmen. Vooral de laatste jaren is in Noord-Duitsland, Denemarken en Zweden een aantal Alsengemmen tevoorschijn gekomen uit goed gedateerde archeologische contexten. Die wijzen op een datering in de 12de en 13de eeuw. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de Alsengemmen als amulet in een ring of metalen vatting zijn gebruikt. De verspreiding van de archeologische gemmen komt niet overeen met de latere insignes van lood-tin die pelgrims in de 14de en 15de eeuw uit Keulen hebben meegenomen. Om die reden is het niet aannemelijk dat Alsengemmen als Keulse pelgrimsinsignes moeten worden gezien. De iconografie van de Alsengemmen sluit veel beter aan bij de beeldtaal van de volkeren in Noord-Europa. Met name op de gouden B-bracteaten en op de beeldstenen uit de Vikingtijd zijn parallellen te vinden voor de figuren op de Alsengemmen. Het lijkt dan ook onwaarschijnlijk dat deze figuren de drie koningen voorstellen. Veeleer dient te worden gedacht aan afbeeldingen van personages uit de noordelijke godenwereld. Dat is blijkbaar binnen de toenmalige christelijke wereld in midden-Europa geen beletsel geweest om ze als decoratie toe te passen op liturgische voorwerpen. Maar datzelfde geldt ook voor soortgelijke gemmen uit de Romeinse periode waarop personages uit de Romeinse godenwereld staan afgebeeld (fig. 18).
De Alsengemmen zijn mijns inziens dus geen pelgrimsinsignes uit Keulen, maar producten uit de noordelijke wereld. Ze werden in de 12de en 13de eeuw als amulet gedragen. Dat de grootste concentratie van archeologisch gevonden gemmen in Friesland te vinden is, betekent nog niet perse dat de gemmen daar geproduceerd zijn. Door de afgraving van de terpen in de 19de en vroeg-20ste eeuw is uit dat gebied een onevenredig groot aantal vondsten bekend . Het is zelfs niet uit te sluiten dat de vier in Drenthe gevonden Alsengemmen met terpaarde uit Friesland zijn aangevoerd.   
 

Noten
(zie elders)


Literatuur

Baastrup, M.P., 2007: Alsgemmer i Danmark - fundforekomst, funktion og forlæg, Aarbøger for Nordisk Oldkyndighed og Historie 2004, 157-173.
Elzinga, G., 1971: Inkelde tinzen oer Alsengemmen, De Vrije Fries 51, 54-60.
Es, W.A. van, 1967: Een Alsengemme uit de Noordoostpolder? Helinium 7, 71-73.
Gagetti, E., 2010: Sei Alsengemmen a Brescia, Pallas 83, 55-97.
Gandert, O.F., 1954: Die Magiergemme von Lieveren (Prov. Drenthe) als Schlüssel zur Frage der Alsengemmen, Palaeohistoria 3, 245-255.
Gandert, O.F., 1955: Die Alsengemmen, Berichte der Römisch-Germanische Kommission 36, 156-223.
Gandert, O.F., 1958: Die Alsengemme von Lieveren und ihre niederländischen Verwandten, Nieuwe Drentse Volksalmanak 76, 74-81.
Groothedde, M., 1994: Hercules in Zutphen - De vondst van een Romeinse gem in Huize van de Kasteele, Zutphen, Tijdschrift voor de historie van Zutphen en omgeving 1994-1, 11-13.
Hauck, K., 2011: Die Bildformeln der Goldbrakteaten in ihren Leitvarianten (Zur Ikonologie der Goldbrakteaten, LV). In: W. Heizmann en M. Axboe (red.), Die Goldbrakteaten der Völkerwanderungszeit – Auswertung und Neufunde, Berlin/New York, 61-153.
Henig, M. en A. MacGregor 1996: Three Alsengems in the Ashmolean Museum Oxford, Journal of the British Archaeological Association 149, 89-92.
Humburg, N. en J. Schween (red.) 2000: Die Weser – ein Fluss in Europa, Band I: „Leuchtendes Mittelalter“, Holzminden.
Kaiser, M., 1993: Finderglück – ein seltener Oberflächenfund aus Kaarst. In: Archäologie im Rheinland 1992, 163-164.
Knol, E., 2012: Tweede Alsengemme voor het Groninger Museum, Van Wierden en Terpen - Nieuwsbrief Vereniging voor Terpenonderzoek 17, 11.
Kortekaas, G., 2011: Wat je eerlijk vindt… In: M. Lindeboom, T. Teng, C. Boomsma, B. Mastenbroek en G. Kortekaas (red.), Schatten uit de schaduw – nieuwe legenden uit Groningen, Groningen, 82-85.
Krabath, S., 2004: Der Silberschatz im Kochtopf, Archäologie in Niedersachsen 7, 48-52.
Kramer, E., 1998: Alsengemmen: van reisamulet tot Driekoningenbadge, Fryslân 4 (4), 26-28.
Kramer, E., 2010: Nieuwe middeleeuwse Alsengem uit Friese bodem, Detector magazine 112, 28-31.
Novak-Klimscha, K., 2013: Der goldene Fingerring aus Meinersfehn. In: J. Kegler (red.), Land der Entdeckungen - Die Archäologie des friesischen Küstenraums. Begleitband zu den gleichnamigen Ausstellungen in Assen, Emden, Groningen und Leeuwarden, Aurich, 436-437.
Price, N., 2003: Vunze lijven – seksualiteit in de Noordeuropese IJzertijd. In: V.T. van Vilsteren (red.), 100.000 jaar seks – over liefde, vruchtbaarheid en wellust, Zwolle/Assen, 54-63.
Regteren Altena, H.H. van en M.F. van de Berg-Hamburger 1967: Een Alsengemme uit Texel (N.H.), Helinium 7, 69-70.
Roslund, M., 2009: Varuutbyte och social identitet – Alsengemmer som emblematisk stil. In: M. Mogren, M. Roslund, B. Sundnér en J. Wienberg (red.), Triangulering : historisk arkeologi vidgar fälten, Lund (= Lund Studies in Historical Archaeology 11), 216-242.
Rudolph, C., 2006: Schutzamulett aus Lübeck – Eine Alsengemme aus der Zeit um 1100. In: R.-M. Weiss en W. Marnette (red.), Frühes Gold aus Norddeutschland.
Hamburg (= Veröffentlichungen des Helms-Museums Hamburger Museum für Archäologie und die Geschichte Harburgs 96), 100-101.
Schulze-Dörrlamm, M., 1990: Bemerkungen zu Alter und Funktion der Alsengemmen. Archäologisches Korrespondenzblatt 20, 215-226.
Veenman, F., 2011: Verslag archeologie in 2010, Hervonden Stad 16, 6-32.
Vilsteren, V.T. van, 1994: Drie koningen te Vries, Nieuwe Drentse Volksalmanak 111, 161-163.
Vlierden, M. van, 1995: Willibrord en het begin van Nederland, Utrecht.
Wicker, N.L., 2013: Inspiring the barbarians? The transformation from Roman medaillons to Scandinavian bracteates. In: P.S. Wells (red.), Rome beyond its frontiers: imports, attitudes and practices, Portsmouth, 105-120.
Zadoks-Josephus Jitta A.N., 1960: Een laat-Romeinse gouden ring uit Drenthe, Nieuwe Drentse Volksalmanak 78, 232-233.
Zazoff, P., 1980: Eine Alsengemme in Alt-Lübeck, Lübecker Schriften zur Archäologie und Kulturgeschichte 3, 51-55.
Zwierlein-Diehl, E. 2007: Antike Gemmen und ihr Nachleben, Berlin.

Summary
To Cologne via Assen and Kiev? – Reflections on a remarkable Alsengem from Drenthe
Quite recently a new Alsengem was discovered in the province of Drenthe. Alsengems are small button-like discs made of two layers of glass (the bottom one black and the top one blue) that feature engraving usually consisting of one, two, three or rarely four stick-figures. When Gandert first published the corpus in 1955, 84 gems were known. That number has increased considerably in recent years. Today we know a total of 132. Some of these gems have emerged via archeological discovery. Another group was used on liturgical objects such as book covers, crucifixes, and reliquaries. Now as in 1955, the liturgical group is slightly larger. Distribution of the two groups is very different. In the Netherlands, the archaeological Alsengems are known from the northern provinces (Figure 4). Most of them are from Friesland (18 pieces). Four specimens have been found in Drenthe. Most of the other archaeological finds have been made in northern Germany, Denmark and Sweden. The liturgical Alsengems are mainly known from central Germany and the area south of there. The two diffusion regions barely overlap (fig. 7). On the Alsengems one to four standing stick-figures are normally shown. The gems with three figures have been interpreted as the three Magi as initially proposed by Schulze-Dörrlamm. According to that theory the gems would have been brought home by pilgrims returning from Cologne, where production would have taken place. Dating of the Alsengems (11th-14th centuries) has so far been based largely on art historical interpretation of the liturgical gems. In recent years, some gems have emerged from well-dated archaeological contexts in northern Germany, Denmark and Sweden, indicating dates in the 12th and 13th centuries. There are clear indications that the Alsengems were used as amulets in rings and metal mounts. Distribution of the archaeological gems does not match that of the lead-tin insignia carried by Cologne pilgrims in the 14th and 15th centuries (fig. 15). It is therefore implausible that the Alsengems were pilgrim badges from Cologne. The iconography of the gems connects much better with the visual language of the peoples of Northern Europe. Parallels for the Alsengems figures are particularly numerous in the gold B-bracteates from the 5th and 6th century and the picture stones from the Viking Age. It therefore seems likely that these figures represent not the three kings, but rather the northern gods. In then Christian Central Europe, there was apparently no reluctance to apply such non-Christian imagery to liturgical objects. The same is true for similar gems from the Roman period (fig. 18).
The Alsengemmen, in my view, were not pilgrim badges from Cologne, but products of the northern world. They were worn as amulets in the 12th and 13th centuries. The concentration of archaeological gems found in Friesland does not necessarily mean that the gems were produced there. Exploitation of the terpen – artificially raised occupation mounds – in the 19th and early 20th century produced a disproportionate number of discoveries from that area. We cannot even exclude the possibility that the four Alsengems found in Drenthe derive from the transferred fertile soil from Frisian mounds.

Drs. Vincent van Vilsteren
Drents Museum
Postbus 134
9400 AC Assen
v.vanvilsteren@drentsmuseum.nl




V.T. van Vilsteren (1953) is sinds 1985 conservator archeologie van het Drents Museum.




[Bijschriften]
Fig. 1. De Alsengem van Assen. Collectie Teun Bosch, Assen. Foto J.R. Beuker.
Fig. 2. Boekbanden van de evangelistaria van bisschop Ansfried (links) en bisschop Bernold (rechts). Nederrijn, ca. 1200. De zilveren medaillons zijn later (15de/16de eeuw). Beide boekbanden waren elk voorzien van vier Alsengemmen. Bij die van Bernold ontbreekt er één. Collectie Museum Catharijneconvent, Utrecht. Foto Ruben de Heer.
Fig. 3. De drie typen Alsengemmen. Uit: Schulze-Dörrlamm 1990.
Fig. 4. Vondsten van Alsengemmen in Nederland. Tekening V.T. van Vilsteren.
Fig. 5. De Alsengemmen van 1. Assen 2. Peelo 3. Vries en 4. Lieveren. Collectie Drents Museum (nrs. 1 en 3) en T. Baving, Vries (nr. 2). Foto J.R. Beuker.
Fig. 6. Enkele van de Alsengemmen uit Friesland. Collectie en foto Fries Museum.
Fig. 7. De verspreiding van Alsengemmen in Europa. Rood: Alsengemmen in liturgische kerkschatten; blauw: bodemvondsten. Naar Schulze-Dörrlamm 1990 met latere aanvullingen uit diverse literatuur (zie noot 6).
Fig. 8. Romeinse gem uit Westdorp (begin 4de eeuw na Chr.), collectie Drents Museum. Foto Jaap Beuker.
Fig. 9. Romeinse gem uit Zutphen (ca. 100 na Chr.), collectie Stadsarcheologie Zutphen. Foto GAD Zutphen.
Fig. 10. Fibula (l. 2,7 cm) gevonden in Lübeck en waarschijnlijk afkomstig uit een Slavisch vorstengraf. Datering circa 1100. Collectie en foto Bereich Archäologie der Hansestadt Lübeck.
Fig. 11. Alsengem in een verguld zilveren montuur (datering 1200-1225 na Chr.) uit de schatvondst van Bokel (Kreis Bremervörde). Collectie en foto Museum August Kestner, Hannover.
Fig. 12. Alsengem in een gouden montuur. Detectorvondst Blije (Friesland). Foto Veilinghuis Ald Frylân.
Fig. 13. Gouden ring (l. 2,5 cm) uit de opgraving Hoge der A, Groningen. Datering 1200-1225. Collectie en foto Gemeente Groningen, Dienst RO-EZ.
Fig. 14. Alsengem uit de kasteelheuvel van Borren (Denemarken) en een bij de dezelfde opgraving gevonden koperen vatting. Foto Cecilie Krause.
Fig. 15. Vindplaatsen van Alsengemmen vergeleken met vindplaatsen van pelgrimsinsignes van lood-tin van de drie koningen uit Keulen. Tekening V.T. van Vilsteren.
Fig. 16. Gouden B-bracteaat uit de goudschat Gudme II (Denemarken). Collectie en foto Nationalmuseet, Kopenhagen.
Fig. 17. Bronzen beeldje (h. 6 cm) van de god Freyr gevonden in Rällinge (Zweden). Datering  9de of 10de eeuw. Foto Statens Historiska Museet, Stockholm.
Fig. 18. Op de reliekschrijn van Enger uit het laatst van de 8ste eeuw zijn ook Romeinse nicolo’s verwerkt. Collectie Kunstgewerbemuseum, Berlijn. Foto Genevra Kornbluth.


Offline Coci

  • Deskundige na-middeleeuwse vondsten
  • Forumlid
  • *
  • Berichten: 8161
  • 1
Re: drentse almanak
« Reactie #1 Gepost op: maart 20, 2014, 23:21:58 pm »
Dank Teun! Boeiend om kennis van te nemen.
Leuk om ook over een Zutphense vondst daar in te lezen  ;)
Zou er graag de plaatjes bij zien! Komt het artikel nog in pdf-vorm beschikbaar?
Groet,
Coci

Offline Dagobert

  • Volledig lid
  • Forumlid
  • **
  • Berichten: 14111
  • 0
Re: drentse almanak
« Reactie #2 Gepost op: maart 20, 2014, 23:24:51 pm »
Leuk en leerzaam.En vooral een zeer bijzondere vondst. ((: 9prima

Dagobert
Niets van mijn eigen bijlages mag gekopieerd of gedeeld worden buiten dit forum.

Offline tabe

  • Volledig lid
  • Forumlid
  • **
  • Berichten: 4909
  • 0
Re: drentse almanak
« Reactie #3 Gepost op: maart 21, 2014, 00:01:06 am »
interessant stuk,bedankt hiervoor (:appl (:appl (:appl